Artificieel leven

Theo Jansen - Strandbeesten live demonstratie op Art at the Warehouse

Tekst: Vera de Lange

Plastic, metaal en gesteente komen tot leven op Art at the Warehouse. In de voormalige Fenixloods aan de Rijnhaven zijn fossielen van auto’s gevonden. Strandbeesten van pvc- buizen wandelen door de ruimte. Theo Jansen en Olaf Mooij doen in uiteenlopende werken onderzoek naar het ecosyteem van deze wezens.

Kunstenaar en natuurkundige Theo Jansen beweegt zich behoedzaam rondom zijn creatie. Een metersgroot, robotachtig beest, dat nog het meest doet denken aan de reuze-insekten uit Erik, of het klein insektenboek. Het karkas zit bij insekten aan de buitenkant. Hier is echter alleen nog maar geraamte. De botten zijn pvc-buizen, met hier en daar een rij spaflessen als organen, en plastic vleugels. Het geheel dat bij elkaar wordt gehouden met tiewraps, ziet er fragiel uit, maar toch stevig. Jansen, die in 1980 eerst een UFO bouwde die over Delft vloog, maakt deze wezens al meer dan twintig jaar. Hij praat over het bouwsel alsof het een levend wezen betreft. Het strand is de natuurlijke habitat van het beest. Er zijn verschillende soorten zand, zoals nat en droog zand. “Dat gaat in de gewrichten zitten, ”vertelt Jansen.”Achter de gewrichten zitten de zweetklieren. Ik zal ‘m even laten zweten.” Plots spuit er uit het hele beest water op de grond. “Tegelijkertijd smeert-ie zo het systeem. Zie je, nu loopt-ie weer heel soepel.” Met vele poten komt het bottenstelsel weer in beweging. “Ik hoop dit nog twintig jaar te kunnen doen, en dat ze uiteindelijk zelf een eigen leven kunnen gaan leiden op het strand.” Dat klinkt best plausibel, aangezien de beesten niets hoeven te eten, energie halen ze immers uit de wind.

Verderop in de loods bevinden we ons in een tijd waar de auto geëvolueerd is tot een waar ras. Je ziet een laboratorium vol glazen potten met objecten op sterk water, stukjes bot, fossielen en karkassen. Dichterbij komend wordt duidelijk dat het allemaal auto-onderdelen zijn. Een koplamp in sterk water geconserveerd, stukjes schedel die karkassen van speelgoedwagentjes blijken en een auto die uit een ei komt. Het lijkt alsof een hele evolutie in kaart is gebracht. Olaf Mooij gebruikt al meer dan tien jaar de personenwagen als basis voor zijn werk, vaak op waar formaat, met levende kenmerken eraan toegevoegd, zoals bij de hersenauto. “Mijn vader praatte vroeger tegen de auto”, vertelt Olaf. Veel mensen kennen dit vervoersmiddel menselijke eigenschappen toe. Ook auto’s hebben immers water en brandstof nodig. Evenals bij Jansen vormt Mooijs werk een bijna wetenschappelijk, biologisch onderzoek naar het ‘ecosysteem’ van het organisme en de dingen die elk wezen nodig heeft om te kunnen (over)leven